Egypte
Egypte bestaat voor meer dan 95 % uit woestijn. Dankzij de rivier de Nijl is het land bewoonbaar. Bijzonder aan de Nijl was, dat hij ieder jaar in de zomermaanden buiten zijn oevers trad als gevolg van de regentijd in Centraal-Afrika. Door het laagje slib, dat na het terugtrekken van het water achterbleef, werd het Nijldal vruchtbaar en kon daar beschaving ontstaan. Sinds de bouw van de Aswan-dam vindt deze overstroming niet meer plaats (de laatste was in 1967). Daarmee is een einde gekomen aan een duizenden jaren oud ritme, continuiteit die veel van het statische en conservatieve karakter van de Oudegyptische samenleving verklaart. Het land bestaat uit twee duidelijk van elkaar verschillende delen: Boven-Egypte, het eigenlijke Nijldal in het midden en zuiden, een soms heel smal vruchtbaar gebied tussen de woestijnbergen, en Beneden-Egypte, de brede groene en vlakke Nijldelta ten noorden daarvan. Door de geisoleerde ligging kon het land zich lang relatief ongestoord zelfstandig ontwikkelen.
Geschiedenis
De geschreven geschiedenis van het oude Egypte begint al voor 3000 v. Chr. Deze geschiedenis wordt aan de hand van de geschriften van de Egyptische, maar in het Grieks schrijvende priester Manetho (3e eeuw v. Chr.)ingedeeld in 31 dynastieen (koninklijke families). Een andere onderverdeling, zoals die tegenwoordig ook wel wordt gehanteerd, is de volgende (de jaartallen zijn bij benadering):
Prehistorie (tot 3000 v. Chr.
In deze tijd ontstond het schrit en werden veel van de normen op het gebied van architectuur, beeldende kunst en religie ontwikkeld, die de hele verdere geschiedenis van het Oude Egypte geldig zouden blijven. Er waren al betrekkingen met MesopotamiÎ.
Vroegdynastische tijd (3000-2650 v. Chr.)
Een periode van vorming, waarin het land politiek georganiseerd werd. De bestuurlijke indeling werd gereorganiseerd en het land werd geregeerd vanuit Memphis. Er was veel aandacht voor de waterhuishouding.
Oude Rijk (2650-2200 v. Chr.)
In deze eerste bloeitijd is Egypte verenigd onder een sterk central gezag. Het is niet expansief. Men trad militair alleen op wanneer de belangen van Egypte in gevaar kwamen. In deze tijd werden de grote piramiden van Cheops en Chefren gebouwd.
1e Tussentijd (2200-2000 v. Chr.)
Nadat het Oude Rijk in verval was geraakt, volgde een periode van chaos. Het land raakte verdeeld tussen concurrerende machtscentra waardoor hongersnood ontstond.
Middenrijk (2000-1800 v. Chr.)
Vanuit Thebe werden Boven- en Beneden-Egypte opnieuw verenigd. Maar ook aan de hierop volgende bloei kwam weer een einde, door interne moeilijkheden en invallen van buitenaf.
2e Tussentijd (1800-1550 v. Chr.)
Egypte raakte opnieuw verdeeld. Zwervende volken, de Hyksos, vestigden zich in het noorden van Egypte, terwijl de machthebbers van Thebe het zuiden beheersten. Uiteindelijk weten deze de invallers te verslaan.
Nieuwe Rijk ( 1550-1100 v. Chr.)
Een nieuwe bloeiperiode breekt aan. Men gaat op expeditie naar Somaliland en correspondeert in spijkerschrift met vorsten in AziÎ. In deze periode leefden de farao's Achnaton, Toetanchamon en Ramses II de Grote, die in 1286 slag levert tegen de Hittieten bij Kadesj in SyriÎ. Hoewel Egypte een invasie van de zogenaamde Zeevolkeren wist af te slaan, werd het toch verzwakt.
3e Tussentijd (1100-650 v. Chr.)
Het land raakte weer verdeeld. Egypte was geen macht van betekenis meer. Nubische koningen kwamen aan de macht en daarna de AssyriÎrs.
Late Tijd (650-332 v. Chr.)
Onder Psammetichus werd Egypte nog eenmaal zelfstandig, Maar het was niet opgewassen tegen de BabyloniÎrs. Tenslotte werd het in 525 v. Chr. een deel van het Perzische rijk. In 332 v. Chr. veroverde Alexander de Grote het op de Perzen. Zijn generaal Ptolemaeus werd koning van Egypte.
Grieks-Romeinse tijd (vanaf 332 v. Chr.)
Cleopatra was de laatste telg van het geslacht van de PtolemaeÎn. Na haar dood in 30 v. Chr. werd Egypte een provincie -en bron van inkomsten- voor Rome. Bij de splitsing van het Romeinse Rijk kwam Egypte onder Byzantium. Begin zevende eeuw na Chr. werd het door de Arabieren aan deze laatste antieke invloed onttrokken.
Het museum bezit voorwerpen uit alle tijden. Vele vondsten hebben te maken met de grafcultuur, waarvan de mummies de bekendste uitdrukking zijn: daar is dan ook een aparte zaal aan gewijd.
Zo is er uit het Middenrijk een dodenscheepje. Dit werd in het graf meegegeven, zodat de dode naar het hiernamaals zou kunnen gaan: de Egyptenaren geloofden, dat men daar kwam via een rivier, net zoals zij in dit leven alles over de rivier vervoerden. Uit het Nieuwe Rijk stamt een reliÎf, waarop de schrijver Ta de begeleider van de doden, de god Anoebis, vereert. Deze werd afgebeeld als hond. Ook een godheid in diervorm is de kattengodin Bastet, van wie een bronzen beeldje te zien is. Dit dateert uit de de Late Tijd. Onder vele andere voorwerpen is er ook nog een mummiemasker uit de hellenistische tijd in het museum. De invloed van de Griekse cultuur is dan al zichtbaar, bijvoorbeeld in het haar dat onder de hoofdbedekking uitkomt.




